De computer stond toch al aan om me overdag van wat rustige achtergrondmuziek te voorzien en omdat ik me ’s avonds nog enigszins mens voel, maar even proberen een blogpost te tikken over wat er nu allemaal aan de hand is, of was. Of eigenlijk nog steeds is. Deze intro-tekst schreef ik overigens gisteravond al, want de mist wil dit keer niet echt optrekken uit mijn hoofd.

Ik was al ruim een week aan het kwakkelen. Veel moe, vaak hoofdpijn, nogal hangerig. Niet echt ziek, maar ook niet fit. Waar ik op zaterdag 28 januari ’s morgens nog vrolijk om half 6 naast mijn bed stond om mijn moeder in Andel een verrassingsontbijt te bezorgen voor haar verjaardag, ging het ’s middags wat minder goed en had ik ’s avonds laat vooral een raar hoofd.

Ik lag om acht uur op bed, maar kleedde me om half één weer aan om met Bas een wandeling van 3 kilometer in het donker te maken. Ik luisterde naar Spotify en kwam dit liedje tegen, wat op de één of andere manier bleef hangen. Het paste precies bij mijn gemoedstoestand. Vooral dit zinnetje raakte me: “This is not the you i know. This isn’t real. It’s just all you can feel.”

Terug in huis, werkte ik nog een blogpost voor de volgende dag uit en ging daarna weer naar bed. Nog geen halfuur later begon ik hevig te klappertanden. Er was geen houden aan. Mijn geest was vrij troebel en het enige wat ik me kan herinneren is dat ik me afvroeg of het buiten dan zo koud geweest was, dat ik zo buitensporig lag te bibberen in bed.

Blijkbaar ben ik toch weer in slaap gevallen, tussen het afbikken van m’n tandglazuur door. Toen ik wakker werd, wist ik niet hoe ik van voor of van achter leefde. Ik bleek enorm hoge koorts te hebben, maar had niet de tegenwoordigheid van geest om mijn temperatuur op te nemen of iemand te bellen. Ik strompelde twee keer naar de badkamer om wat water te drinken, maar kon mezelf amper staande houden. Laat mij gewoon maar, dacht ik. En ik sloot mijn ogen weer.

Uiteindelijk duurde het tot half één ’s middags voordat het ergens toch doordrong dat er echt iets moest gebeuren. Ik reikte naar de telefoon en belde m’n moeder. “Ik heb koorts”, zei ik alleen. Een halfuur later was ze hier. Even later waren we in ’t ziekenhuis, aanvankelijk met de bedoeling om medicijnen te halen, maar voor ik het wist lag ik uren op de spoedeisende hulp met een team van vier mensen om me heen. De koorts was gestegen tot 41,5, een gevaarlijk hoge temperatuur.

Ik was zover van de wereld, dat ik amper meer weet wat ze allemaal met me uitspookten. Genoeg onderzoeken in elk geval. Er werden 2 infusen aangelegd waarvan één op de slagader, er werd iets gedaan met een naaldje op een zenuw wat schijnbaar nogal gevoelig zou moeten zijn, ik werd aangesloten op een hartmonitor en er werd een röntgenfoto van mijn longen gemaakt. Ik vond alles best. Ik voelde niet eens pijn, ik voelde eigenlijk helemaal niks.

Al het ziekenhuispersoneel wat mijn kamer inkwam, moest een blauwe jas en een mondkapje dragen

Om half vijf kreeg ik te horen dat ze me daar voor een paar dagen wilden houden. Dat viel tegen, want daar had ik niet op gerekend. Gewoon een pilletje of een prikje en thuis uitzieken. Blijkbaar was het toch iets te serieus. Op dat moment was nog niet bekend of het om een ordinaire griep ging of dat er iets anders voor zorgde dat mijn innerlijke kachel zo de weg kwijt was. Sowieso heb ik een hormoon-afwijking waardoor mijn lichaam zichzelf bij ziekte niet goed reguleert en daarbij wat extra hulp van buitenaf nodig heeft, om erger te voorkomen.

Tegen vijven lag ik op de afdeling. Vijf Oost. Kamer 505. Een hok voor mij alleen. Omdat ik te ziek was om met anderen op een kamer te liggen en daarnaast omdat ik mogelijk griep zou hebben en daarmee anderen zou besmetten. Al het ziekenhuispersoneel wat mijn kamer inkwam, moest een blauwe jas en een mondkapje dragen, alsof ik weet ik wat voor griezelige besmettelijke ziekte onder de leden had. Maar ergens ook wel logisch natuurlijk.

En daar lag ik dan, praktisch vastgeketend aan mijn bed met aan elke arm een infuus wat naar een corresponderende infuuspaal leidde, ik had zelfs een katheter. Het bed was eigenlijk iets te kort, het kussen te hard. De verpleging was aardig en geduldig en het eten smaakte me redelijk, maar ik merkte al vrij snel dat het ziekenhuisverblijf me met het uur meer tegen begon te staan.

Je hoort altijd wel geluiden op de gang, fatsoenlijk slapen zit er niet in en het feit dat ik dus vast zat aan die slangen, maakte het er ook niet beter op. Toen ik dinsdagmorgen na een nachtrust van hooguit twee uur vervolgens wakker werd met een hevige migraine-aanval en een onschuldig verpleegstertje nietsvermoedend de gordijnen openrukte, heb ik haar zo’n beetje toe gegromd dat die weer dicht moesten, en wel onmiddellijk. Ik kon geen streepje licht verdragen.

Nou ben ik doorgaans een heel vriendelijk en zachtaardig persoon, maar de combinatie pijn en een groeiend gebrek aan goede nachtrust, maakt zelfs van mij iemand waar je beter maar een eindje bij uit de buurt kunt blijven. Ik hoop dat ze ’t me vergeven heeft. 🙂 Het verlossende nieuws dat ik dezelfde dag nog naar huis mocht, kwam rond elf uur ’s morgens. Eigenlijk hadden ze me woensdag pas willen laten gaan, maar nadat ik aangaf dat ik werkelijk geen oog dichtdeed in het ziekenhuis en dat ten koste ging van mijn herstel, was daar wel begrip voor.

De uitslag van de influenza-test die ik zondagmiddag ook had moeten doen, was doorslaggevend geweest voor het besluit dat ik weg mocht. Aan griep kunnen ze in het ziekenhuis niks doen, het is daarnaast ook lastig, omdat al het personeel zich steeds in jas en kapje moet hijsen. Antibiotica werkt niet en het is een kwestie van uitzieken en in mijn geval voorlopig nog een verhoogde dosis van mijn reguliere medicatie die de hypofyse aanstuurt blijven slikken.

Inmiddels ben ik dus alweer een paar dagen thuis. Nog steeds flink ziek, maar tenminste wel in mijn eigen huis. Met m’n beestjes om me heen, mijn eigen bed en een rustige omgeving. Geen pieper die midden in de nacht af gaat omdat je toevallig één van je infusen een beetje teveel hebt bewogen, geen falende bloeddrukmeters, geen zere handen door de zoveelste keer bloedprikken en geen hoest-serenade’s van de buurvrouw twee deuren verder op de gang.

De dag na thuiskomst is het me, ondanks m’n niet al te heldere hoofd, zelfs nog gelukt om een nieuwe column voor de krant te tikken, die dus vandaag te lezen was in AD Rivierenland en je ook hieronder kunt bekijken. Ook deze gaat over mijn ziekenhuis-escapade, alleen dan een ingekorte versie. 🙂 In de tussentijd doe ik in elk geval m’n best om uit te zieken, al hangt mijn huidige ritme van slapen, rusten, eten, rusten en slapen me al flink de keel uit. Ik mis mijn wandelingen, de frisse buitenlucht, ik mis zelfs mijn loopje naar de supermarkt. Ik voel me gewoon een beetje afgezonderd van de normale wereld, maar dat komt allemaal wel weer goed. Give it some time…

Heeft de griep jou ook al te pakken gehad?